Troeven van de opleiding
In je studiepakket zijn fundamenteel-wetenschappelijke opleidingsonderdelen,
basis-ingenieursopleidingsonderdelen en specifiek-technische opleidingsonderdelen die op de
biotechnologische, chemische en agro-food industrie gericht zijn,
in gelijke mate vertegenwoordigd. Je maakt dus kennis met verschillende
aspecten van de biologie, de moleculaire biologie en de chemie.
In de programma’s wordt ook ruime aandacht besteed aan de recentste
wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen. Nieuwe facetten
van de moderne biotechnologie (genomics, proteomics, high troughput,
functional foods, nanotechnologie,...) komen ruimschoots aan bod
in jouw opleiding tot bio-ingenieur. Door de technische en ingenieursopleidingsonderdelen
,de bedrijfsexcursies en de verplichte industriële stage leer je bovendien de industriële
wereld goed kennen. En zoals gezegd kan je in je masteropleiding
alle kanten uit, ongeacht je profielkeuze tijdens je bachelor.
Kortom, als je kiest voor Bio-ingenieurswetenschappen kies je
dus voor een brede, polyvalente en toekomstgerichte opleiding
waar het nuttig en duurzaam gebruik van de levende materie in
de industrie en de maatschappij centraal staat.
Terug naar boven
Jobuitwegen
Met een bachelordiploma in de Bio-ingenieurswetenschappen beheers
je de basisvaardigheden die bij de ontwikkeling van een nieuw
biotechnologisch proces noodzakelijk zijn. Als je de bachelor-
en de masteropleiding gevolgd hebt, krijg je de wettelijke academische ingenieurstitel.
De titel van ingenieur is internationaal erkend en
geeft aan dat je een wetenschappelijke en technische opleiding
hebt afgerond. Vaak start je als bio-ingenieur met een technisch-commerciële
of een onderzoeksfunctie om later door te groeien naar het middenkader
of een leidinggevende functie in de bedrijfswereld of elders in binnen- of buitenland.
Je kan dankzij je brede vorming in tal van sectoren aan de slag: de
landbouw-, de fermentatie- en voedingsindustrie en aanverwante
sectoren, de chemie en fijnchemie, de agrochemie, de farmacie
en fytofarmacie, het milieubeheer en de milieuwetgeving, de afvalwaterzuivering,
de bodem- en afgasreiniging, de alternatieve energiewinning of
de biomedische sector. Je kan je bezighouden met levensmidddelen, veevoeders of
meststoffen, maar ook een baan zoeken in de allernieuwste biotechnologische
industrie. Ook bij de overheid, in het onderwijs, het onderzoek
aan de universiteit of een onderzoeksinstelling, de bank- en
verzekeringsinstellingen, de (bio)informatica en in het domein
van de ontwikkelingssamenwerking zijn heel wat bio-ingenieurs
actief. De verschillende profielen en afstudeerrichtingen binnen
je masteropleiding zijn voldoende veelzijdig, zodat je weinig
beperkingen zal ondervinden bij je keuze. Bovendien ben je door
je polyvalente opleiding in staat om in teamverband te werken
met collega’s uit andere disciplines.
Terug naar boven
Wat doen onze alumni?
In 1981 werd binnen de Faculteit Wetenschappen gestart met
onderwijs dat leidde tot het diploma van Ingenieur voor de Scheikunde
en de Landbouwindustrieën. In 1991 werden de Ingenieurs
voor de Scheikunde en de Landbouwindustrieën omgedoopt tot
Bio-ingenieurs. De laatste 20 jaar zijn aan de Vrije Universiteit Brussel honderden
Ingenieurs voor de Scheikunde en de Landbouwindustrieën,
nu Bio-ingenieurs afgestudeerd. Hieronder belichten we de loopbaan
van een aantal van onze alumni. Geen betere manier om de beroepsmogelijkheden
van onze bio-ingenieurs te leren kennen.
ir. Jan Baeten behaalde in 1999 het diploma van Bio-ingenieur in de Scheikunde.
Hij koos voor de publieke sector en kwam terecht bij de Administratie Milieu-, Natuur-,
Land- en Waterbeheer (AMINAL) van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.
Hij werd tewerkgesteld bij de afdeling Milieuvergunningen te Brussel.
De afdeling heeft ook buitendiensten te Antwerpen, Gent, Leuven, Brugge en Hasselt
en telt ongeveer 100 personeelsleden.
"De milieuvergunnings- of meldingsplicht zoals vastgelegd in het VLAREM (Vlaams Reglement betreffende
de milieuvergunning) en het bijbehorende handhavingsbeleid (milieu-inspectie) voor inrichtingen, die hinderlijk
of risicovol worden geacht voor de mens en het leefmilieu, is een belangrijk instrument in het Vlaamse
milieubeleid. Voor de exploitatie van een inrichting in de meest hinderlijke en risicovolle categorie (eerste
klasse) dient er een milieuvergunning te worden aangevraagd bij de bestendige deputatie van de provincieraad.
Er is na de uitspraak nog beroep mogelijk bij de Vlaamse minister bevoegd voor Leefmilieu.
De beslissing over de toekenning van een milieuvergunning en over de vergunningsvoorwaarden wordt
genomen op basis van de adviezen van verschillende overheidsdiensten. Eén van mijn belangrijkste taken bestaat
uit het onderzoek en de advisering van dergelijke milieuvergunningsaanvragen. Vaak is een
onderzoek ter plaatse aangewezen, waarbij je in overleg treedt met bijvoorbeeld de milieucoördinator
van het bedrijf of omwonenden. De verenigbaarheid van het bedrijf met de lokale omgeving wordt geëvalueerd,
net als de door de aanvrager voorgestelde maatregelen om de hinder en de risico's te beperken. Je zoekt mee naar de best
mogelijke oplossing voor bedrijf, leefmilieu en omwonenden.
De bedrijven en de regelgeving die aan bod komen zijn zeer divers. Dit zorgt er enerzijds voor dat het
werk zeer afwisslend is, anderzijds betekent dit ook dat er van je verwacht wordt dat je een zeer brede
technische maar ook juridische kennis opbouwt. Daarnaast word je ook geacht je in enkele domeinen te specialiseren.
Gezien mijn studieachtergrond koos ik voor scheikundige industrie en veilighiedsrapportage- en milieurapportageplichtige
bedrijven. In je specialisatiedomein volg je wetenschappelijke, technische en juridische evoluties op via
studiedagen en zelfstudie.
Er wordt vaak samengewerkt met milieustudiebureaus en collega's van andere overheidsdiensten zoals
de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) en de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest (OVAM).
Ook beantwoorden van allerhande vragen van bedrijven en burgers behoort tot het takenpakket.
Als informatiebeheerder van de afdeling volg ik daarnaast tevens enkele ICT- en e-government projekten op.
Ik kreeg de kans om verschillende ICT-opleidingen te volgen.
Samengevat: mijn wetenschappelijke en technische opleiding als bio-ingenieur vormde de ideale basis voor mijn functie.
Dr.
ir. Eva Czerwiec behaalde in 1985 het diploma van Ingenieur voor Scheikunde en landbouwindustrieën
(optie: Biotechnologie). Zij is nu tewerkgesteld in Harvard Medical School, één van de oudste en meest gerenomeerde medische scholen
in de Verenigde Staten, verbonden aan Harvard University. "De technologische en intellectuele omgeving hier zijn uniek. Harvard
Medicine volgt nauwgezet de laatste ontwikkelingen op het gebied van wetenschappelijke technologie alsmede de wetenschappelijke
trends die belangrijk zijn voor de toekomst. HMS trekt tevens wereldklasse onderzoekers aan en er is dus een fantastische opportuniteit
voor wetenschappelijke "brain picking", temeer daar al die topwetenschappers op loopafstand van mekaar werken en heel
bereikbaar zijn. Er is de bijkomende bonus dat Boston niet enkele "home" is voor Harvard maar ook voor MIT, The Broad Institute
, NEMC en een hele resem "teaching hospitals", vergelijkbaar met onze universiteitsziekenhuizen. Eén van die universiteitsziekenhuizen van Harvard Medicine is Brigham and Women's
Hospital, het ziekenhuis waarvoor ik werk.
Sinds mijn vertrek in België in 1996 ben ik als postdoctorale onderzoeker aan verscheidene onderzoekslaboratoria
van universiteitsziekenhuizen - onder andere van HMS - verbonden geweest. Ik heb aan verscheidene projecten gewerkt en met
zeer verschillende mensen. Ondanks die verscheidenheid zijn er een aantal gemeenschappelijke kenmerken. Communicatie is een
sterk en belangrijk punt. Of het nu de regelmatige labvergadering of een occasionele emailvraag betreft, er is een constante
en snelle communicatie flow. Individueel "problem solving" en snel initiatief nemen zijn twee andere kenmerken. Er wordt tevens
een hoge graad van onafhankelijkheid verwacht zelfs als je - zoals ik - werkt voor een Principal Investigator.
Eén van de meest positieve aspecten van de medische school - en van Amerikaanse universiteiten in het algemeen - is
het belang dat wordt gehecht aan uitstraling en mentoring. Onderzoekers interageren op regelmatige basis met
scholen - zowel op het niveau van de lagere school als het secundair onderwijs - helpen leerlingen met het opzetten van kleine
wetenschappelijke projecten, geven uitleg over hun werk en over wetenschappelijk werk in het algemeen. Op het niveau van de
universitaire studie, zowel Bachelors als Masters, is er dan weer meestal een goed mentor netwerk aanwezig.
Een ietwat zwak punt van de Amerikaanse universitaire opleiding is het ontbreken van een intensieve praktische
laboratoriumopleiding. Dit wordt echter goedgemaakt door het bestaan van de zomerstages, waarbij een student gedurende
de zomermaanden in een actief onderzoekslaboratorium tewerkgesteld wordt en betrokken is bij alle aspecten van het
wetenschappelijk onderzoek. Als onderzoeker in de VS ben ik dus: een projectmanager, een onderzoeker, een mentor en een spreekbuis.
Stresserend, jawel, maar ik zou het voor geen geld willen missen.
Ik ben altijd uitermate dankbaar geweest voor de onafhankelijkheidszin en de "problem solving" opleiding
die ik heb gekregen aan de Vrije Universiteit Brussel. Ik heb er geleerd methodisch te denken om practische problemen op te lossen,
evenals het "out of the box" denken wat cruciaal is voor wetenschappelijk onderzoek. Als dr. ir. kan ik dan weer terugvallen
op een gezonde combinatie van wetenschappelijke onderzoekservaring en een zin voor toegepast onderzoek.
Tenslotte nog dit: het mag gezegd worden dat België wetenschappers aflevert van een uitstekend niveau; ik ben zeker
niet de enige Belg die standhoudt aan een gerenommeerde Amerikaanse onderzoeksinstelling."
Dr.
ir. Luc De Backer startte als licentiaat scheikunde en
behaalde het diploma van Ingenieur voor de Scheikunde en Landbouwindustrieën
in 1988. Na zijn legerdienst in 1990, vatte hij een doctoraat
aan op de Dienst Chemische Ingenieurstechniek (Prof. G. Baron)
op het gebied van de immobilisatie van levende cellen in poreuze
materialen. Tijdens deze periode verwierf hij tevens een brede
kennis op het gebied van warmteoverdracht en thermodynamica. Na
het behalen van zijn doctoraat in 1994 was hij vanaf 1995 werkzaam
bij Hamon Thermal Europe, oorspronkelijk als thermisch ingenieur,
en nadien werd hij verantwoordelijk voor het Hamon Research Center
in Drogenbos, waar hij betrokken werd bij verschillende R&D
projecten rond koelsystemen voor electriciteitscentrales. In 1999
werd hij bij de contractafdeling projectmanager voor een groot
project in the VS. Gedreven door de grote vraag op de Amerikaanse
markt naar luchtgekoelde condensors, verhuisde Luc in 2000 naar
het hoofdkantoor van Hamon
in de VS, waar hij onlangs werd bevorderd tot Technisch Directeur.
Dr.
ir. Bart Degeest behaalde het diploma van Bio-ingenieur in de Cel- en Gentechnologie in 1995.
"Yakult is pionier en innovator op het vlak van preventieve gezondheidszorg en probiotica. Het product Yakult
werd reeds in 1935 ontwikkeld door de Japanse arts Minoru Shirota. Dr. Shirota geloofde sterk in preventief
aan je gezondheid werken via voeding. De bedrijfsfilosofie van Yakult is wereldwijd werken aan een gezonde samenleving.
Yakult heeft meer dan 70 jaar ervaring in onderzoek met goede bacterieën en krijgt wereldwijd erkenning
voor haar ontwikkelingen op het vlak van voeding, cosmetica en farmaceutische toepassingen. Het onderzoek gaat verder in het
Yakult Honsha European Research Center dat dit jaar te Gent opgestart werd. Wereldwijd werken de wetenschappelijke afdelingen van Yakult
samen met wetenschappelijke en medische gemeenschappen om de rol van goede bacterieën voor
onze algemene gezondheid verder te opnderzoeken. Het product Yakult kwam in 1994 als één van de
eerste probiotische zuiveldranken op de Europese markt in Nederland en vervolgens in 1995 in België.
Als science manager van Yakult België maak ik deel uit van het algemene management van het bedrijf,
alsook van het ganse Europese science team. De voornaamste taak van de science manager is het organiseren
en opvolgen van onderzoeksprojecten in samenwerking met universiteiten, ziekenhuizen, instituten, enz.
Goede relaties met vooraanstaande wetenschappers, alsook een goed inzicht in het recente onderzoek
in het domein van probiotica en functionele voeding (via deelneme aan congressen en symposia, opvolgen wetenschappelijke
literatuur,...) zijn daarvoor van groot belang. Daarnaast is de science manager verantwoordelijk
voor een gemengd team (wetenschap/PR) dat instaat voor (wetenschappelijke)
communicatie naar verschillende doelgroepen: wetenchappers artsen, verpleegkundigen, diëtisten, journalisten
en ook de modale consument. Een derde belangrijk luik is het opvolgen van de snel veranderende nationale,
Europese en wereldwijde wetgeving rond functionele voeding. Deze taak omvat deelname
aan verschillende werkgroepen van organisaties als FEVIA, ILSI, IDF, ..., maar ook het bijwonen van
internationale vergaderingen en actief input leveren voor o.a. Codex Alimentarius sessies, EU werkgroepen, ... Tenslotte is
er de dagelijkse leiding van het bedrijf: de algemene strategie, personeel, opstellen en opvolgen van de budgetten.
Gezien het (grotendeels) wetenschappelijk karakter van mijn fuctie bij Yakult, ben ik uiteraard zeer tevreden
dat ik kan terugvallen op een diploma bio-ingenieur. De opleiding bevatte een unieke mix van:
fundamentele kennis van biologische systemen, een goede technische basis (ingenieurswetenchappen), een
grondige kennis van productiesystemen in O.a. voedingsindustrie en een goed inzicht in nieuwe
ontwikkelingen binnen de life-sciences in het algemeen (bv. immunologie). Uniek aan de bio-ingenieursopleiding
zijn ook de vele practica, in kleine groepen, binnen ultramodern uitgeruste labo's. De link
theorie-praktijk is er bijna vanaf het begin van de opleiding.
Meer bedrijsmatige aspecten leerde ik voor een stuk tijdens mijn opleiding, maar zeker ook
tijdens de voorbereiding van mijn doctoraatsthesis binnen de onderzoeksgroep IMDO. Ik behaalde
een doctoraat in de toegepaste biologische wetenschappen aan de Vrije Universiteit Brussel in 2001. Door de sterke
banden tussen de onderzoeksgroep waar ik promoveerde en de industrien, maakte ik bijna vanzelf
de overstap naar Yakult. Yakult is een internationaal bedrijf, een samensmelting van verschillende culturen.
Daarmee omgaan vergt een zekere kennis en ingesteldheid.
Indien ik vandaag mijn studies opnieuw zou moetyen aanvatten, zou ik voor mijn huidige functie kiezen voor
een Bachelor of Master inde bio-ingenieurswetenschappen."
Dr. ir Winnie
Dejonghe behaalde in 1997 aan de Vrije Universiteit Brussel haar diploma
van Bio-ingenieur in de cel- en gen biotechnologie. Van 1998 tot
2002 werkte zij voor haar doctoraat aan een studie van de microbiële
afbraak van herbiciden in bodem in het Laboratorium voor Microbiële
Ecologie en Technologie van de RUG (prof. W. Verstraete en prof.
E. M. Top). Sinds april 2002 is ze werkzaam in het Vito (Vlaamse
instelling voor technologisch onderzoek) in het onderzoeksdomein
van de milieutechnologie. Haar relaas:
VITO is een onafhankelijk onderzoekscentrum dat klantgericht contractonderzoek
uitvoert en innovatieve producten en processen ontwikkelt in de domeinen energie,
leefmilieu en materialen en dit zowel voor de overheid als voor het bedrijfsleven.
Zelf ben ik werkzaam als projectverantwoordelijke in het onderzoeksdomein
Milieu en Procestechnolgie (MPT). MPT ontwikkelt en valoriseert nieuwe
industriële technologieën voor productieprocessen, (afval)waterzuivering en
sanering van verontreinigde bodems en slib. In de sectie bodem worden technieken
ontwikkeld en toegepast om bodems, vervuild met verschillende types van organische
en anorganische contaminanten, te saneren. Hierbij maken we zowel gebruik van
biologische als niet biologische technieken. Bij de biologische technieken
verwijdert de microbiële gemeenschap, die aanwezig is in de bodem, de polluenten.
Hiervoor worden batch- of kolomafbraaktesten of moleculaire technieken (zoals PCR)
toegepast om na te gaan of de juiste polluent-afbrekende-microorganismen
(zowel bacteriën als fungi) in de bodem aanwezig zijn. Bij de niet biologische methoden
worden de polluenten in de bodem geïmmobiliseerd na de toediening van additieven,
chemisch omgezet in niet-toxische stoffen, verwijderd door afgraving, etc.
Mijn taak bestaat er enerzijds in om probleembezitters te adviseren welke saneringstechniek
ze best toepassen terwijl ik anderzijds ook wetenschappelijk onderzoek verricht naar
de ontwikkeling en optimalisatie van nieuwe saneringstechnieken.
Voor mijn eerste taak dien ik overleg te plegen met de probleembezitter
om zo een zicht te krijgen op de vervuilingsproblematiek van de site.
Daaropvolgende haalbaarheidstesten in het labo geven dan de meest aangewezen saneringstechniek aan.
Nieuwe technieken worden meestal ontwikkeld tijdens vlaamse en europese projecten
die lopen in samenwerking met andere internationale laboratoria of industriële partners.
In tegenstelling tot mijn thesis en doctoraatsperiode, sta ik als projectverantwoordelijke
zelf niet meer in het labo, maar coördineer ik wel het werk van de technici.
Maw schrijf ik de haalbaarheidstesten uit die zij uitvoeren. De door hun verwerkte resultaten
worden door mij geïnterpreteerd, bijgestuurd, samengebracht in een rapport en uiteindelijk
voorgesteld en besproken met de probleembezitter. Veel van het labowerk wordt ook
uitgevoerd door thesis- en doctoraatsstudenten of in samenspraak met partners in
(inter)nationale projecten. Soms ga ik mee in het veld om een beter zicht te krijgen
op het probleem of om een nieuwe sanerings- of staalnametechniek van dichtbij te bekijken.
Veel van mijn tijd gaat ook naar vergaderingen (wetenschappelijke en administratieve),
het schrijven en coördineren van projecten en het geven van presentaties op (internationale)
congressen. Dergelijke congressen geven me de gelegenheid om nieuwe onderzoeksideeën en
contacten op te doen of om resultaten te bespreken met partners van internationale
projecten waarin VITO betrokken is.
Mijn opleiding als Bio-ingenieur in de cel- en gentechnolgie aan de Vrije Universiteit Brussel vormde
een zeer goede basis voor het werk dat ik nu uitvoer. Tijdens de talrijke labo’s
aan de Vrije Universiteit Brussel leerde ik tal van (microbiële) technieken die ik vandaag nog altijd gebruik.
Deze kennis werd ook nog uitgebreid tijdens mijn thesis te VITO (ontwikkeling van een
fluoreen-biosensor) en mijn doctoraat aan de Universiteit van Gent (isolatie en toepassing
in bodem van bacteriën en plasmiden die herbiciden afbreken). Vooral de meer toepassingsgerichte
en up-to-date inslag in de cursussen maar vooral labo’s aan de Vrije Universiteit Brussel, waren enorm leerrijk.
Deze komen dan ook nog dagelijks van pas.
ir.
Joeri Deswarte studeerde in 1997 af als bio-ingenieur
in de cel- en genbiotechnologie. Hij was aspirant bij het FWO
van 1997 tot 2001 waarna hij Project Manager werd bij de VZW FOST
Plus. FOST Plus is een vrijwillig initiatief van de privé-sector
om de selectieve inzameling, sortering en recyclage van huishoudelijk
verpakkingsafval te financieren, coördineren en bevorderen.
Prof.
Dr. Henny R. Hoogenboom studeerde (na zijn kandidaatsjaren
Biologie aan het LUC) in 1986 aan de Vrije Universiteit Brussel af als Ingenieur in de
Scheikunde en de Landbouwindustrieën. Van 1986 tot 1990 genoot
hij van een NFWO docoraatsbeurs en verichtte hij onderzoek in
de medisch-biotechnologische richting in het Dr. Willemsinstituut
in Diepenbeek (KULeuven) onder leiding van promotor Prof. Guido
Volckaert and copromotor Prof. Jef Raus. In maart 1990 promoveerde
hij tot Doctor in de Landbouwwetenschappen met een proefschrift
over de moleculaire engineering van antistoffen en antistof-gemedieerde
targeting van cytokines. Zijn eerste postdoctorale studie bracht
hij door aan de National Institutes of Health in Bethesda, USA,
waar hij samen met Susanna Rybak de targeting onderzocht van humane
RNAses. Via postdoc fellowships van EMBO en van de D. Collen Research
Foundation bracht Hennie ruim twee jaar door in het Europese mekka
van de antibody engineering, bij Greg Winter van het MRC-Centre
for Protein Engineering in Cambridge, (GB). In deze periode was
hij een van de pioniers bij de ontwikkeling van de faag display
technologie, die nu zeer algemeen gebruikt wordt voor het genereren
van humane monoclonale antistoffen. Hij deed zijn eerste bedrijfservaring
op als groepsleider bij een startend biotechnologie bedrijf, Cambridge
Antibody Technology (GB), waar zijn team onder meer betrokken
was bij de ontwikkeling van D2E7. Dit eerste volledige humane
monoclonaal antilichaam wordt naar verwachting volgend jaar door
de FDA goedgekeurd voor therapie. In 1995 verhuisde hij naar de
Universiteit van Maastricht om als universitair hoofddocent een
nieuwe academische groep uit te bouwen voor de ontwikkeling van
nieuwe kankertherapeutica Vanuit deze functie startte hij, medio
1997 het bedrijf Target Quest BV, dat na twee jaar fuseerde met
het Amerikaanse Dyax Corp, heden een beursgenoteerde onderneming.
Als Senior Vice President Discovery was hij binnen deze onderneming
voornamelijk verantwoordelijk voor het uitwerken van het therapeutisch
antilichaam platform. In 2001 werd hij benoemd tot professeur
de Faculté bij de ULg in Luik, waar Dyax ook haar Europese
onderzoekslaboratorium vestigde. Hennie is auteur op meer dan
90 wetenschappelijke publicaties en uitvinder op 16 octrooien.
ir. Dirk Janssens
behoort tot de lichting 1986. Na 3 jaar IWONL bursaal student
onder de hoede van prof. Hernalsteens en prof. Van Montagu vervolmaakte
hij zijn camouflage technieken bij het ABL. Vanaf 1990 was hij
werkzaam bij Amylum bij productontwikkeling en vermarkten van
o.a. tarwe-eiwitten, oorspronkelijk als procesingenieur, later
als R&D coördinator Non-Food. Vanaf 1995 was hij werkzaam
bij Puratos/Beldem bij de vermarkting van enzymen in bakkerij,
en veevoedingstoepassingen. Deze taak omhelsde de karakterisatie
van nieuwe toepassingen, het tot stand brengen van een nieuw commercieel
netwerk en productondersteuning in de markt. In 2000 vervoegde
hij Remy met als taak een nieuw rijsteiwit te ontwikkelen enerzijds
en anderzijds een nieuwe business unit (Nutriz) op te starten
voor het vermarkten van rijst afgeleide consumenten producten
(dranken, desserten, &). Sinds 2002 is hij werkzaam bij Nutrex
als commercieel verantwoordelijke voor export. Taak is daar om
een portfolio biotechnologische producten in exportlanden te vermarkten.
En daar zit hij nu nog.
Dr. ir Robert Lejeune behaalde in 1992 aan de Vrije Universiteit Brussel ZIJN diploma
van Ingenieur voor scheikunde en landbouwindustrieën. In 1996 werd hij Doctor in de Toegepaste Biologische Wetenschappen.
Hij is nu tewerkgesteld bij het European Patent Office.
De Europese Octrooiorganisatie ontstond in 1973 op basis van de Europese Octrooiconventie. De conventie werd van kracht voor België,
Nederland, Luxemburg, Frankrijk, Duitsland, Zwitserland en het Verenigd Koninkrijk in 1977. In 2005 telde de Europese Octrooiorganisatie 31 lidstaten en werden door
het Europees Octrooibureau (European Patent Office, EPO) bijna 200.000 octrooiaanvragen ontvangen.
Het EPO heeft twee hoofdvestigingen, in Munchen en in Rijswijk, en telt ruim 6300 werknemers waarvan
ongeveer 3500 patent examiners, afkomstig uit de 31 lidstaten van de Europese Octrooiorganisatie.
De taak van het EPO is vastgelegd in de Europese Octrooiconventie. Deze conventie is de wettelijke
basis om met één octrooiaanvraag een geldig octrooi in alle lidstaten te bekomen.
Een octrooi moet aan drie eisen voldoen: de uitvinding waarvoor een octrooi wordt aangevraagd
moet nieuw, inventief en industriëel toepasbaar zijn.
Het werk van een patent examiner bestaat in hoofdzaak in het behandelen van octrooiaanvragen en dus
in het beoordelen van nieuwheid, inventiviteit en industriële toepasbaarheid. Dit gebeurt in twee fazen:
- De eerste faze na het indienen van een aanvraag is het vooronderzoek. Het vooronderzoek bestaat uit
het opzoeken van documenten die nuttig zijn voor het beoordelen van nieuwheid en inventiviteit. Alle publiek
beschikbare documenten moeten gezocht worden: octrooiaanvragen, wetenschappelijke literatuur, internetpublicaties, presentaties op congressen,
gegevensbanken met DNA- en aminozuursequenties, etc.
- De tweede fase bestaat uit een briefwisseling tussen de patent examiner en de octrooiaanvrager (doorgaans
is deze vertegenwoordigd door een octrooigemachtigde). Tijdens deze briefwisseling worden door
de patent examiner de tekortkomingen van de octrooiaanvraag met betrekking tot nieuwheid,
inventiviteit, industriële toepasbaarheid uitgelegd. De octrooiaanvrager tracht door wijzigingnen in de aanvraag
en argumentatie de patent examiner te overtuigen dat zijn aanvraag aan alle wettelijke eisen voldoet.
Wanneer de aanvrager en patent examnier het eens zijn, wordt het octrooi verleend en wordt het van kracht in de lidstaten waarvoor de aanvraag
ingediende werd.
Als bio-ingenieur kan je in een brede waaier van technische domeinen werkzaam zijn. De voornaamste
domeinen zijn fermentaties, voedingstechnologie, enzymen en eiwitten, diagnostische en medische
methodes en pharmaceutische toepassingen."
ir.
Bart Levecke studeerde in 1997 af als bio-ingenieur
in de Scheikunde en ging direct aan de slag bij de firma ORAFTI.
ORAFTI is een dochteronderneming van Tiense Suikerraffinaderij
en wereldleider in productie en vermarkting van inuline en oligofructose.
Bart Levecke startte als onderzoeksmedewerker in onderzoekslabo
voor product-ontwikkeling en proces-verbetering. Sinds 2001 is
hij als ontwikkelingsingenieur 'non-food', verantwoordelijk voor
het onderzoek naar niet-voedingstoepassingen van inuline en inuline-derivaten.
Dr.
ir. Suzy Renckens behoort tot de lichting van 1986.
Tijdens haar doctoraal en postdoctoraal onderzoek verdiepte ze
zich in de moleculaire biologie van planten onder de hoede van
Prof. Hernalsteens en Prof. Van Montagu. In 1996 besloot Suzy
het wetenschappelijk onderzoek en de Vrije Universiteit Brussel te verlaten en in te
ruilen voor een taak als bioveiligheidsdeskundige bij de Afdeling
Bioveiligheid en Biotechnologie van het Wetenschappelijk Instituut
Volksgezondheid. In deze hoedanigheid was ze als wetenschappelijk
secretaris van de Bioveiligheidsraad nauw betrokken bij de risicobeoordeling
van activiteiten met genetische gewijzigde organismen (GGOs),
in het bijzonder aanvragen voor het uitvoeren van veldproeven
en het in de handel brengen van transgene planten en afgeleide
voedingsmiddelen. Sedert 1 oktober 2002 heeft Suzy een zeer gelijkaardige
functie bij de European
Food Safety Authority (EFSA), het Europees orgaan dat momenteel
in opstart is en dat in de nabije toekomst wetenschappelijk advies
moet verlenen over al wat raakt aan de voedselveiligheid.
Dr. ir.
Joost Schymkowitz studeerde in 1997 af als bio-ingenieur
in de cel- en genbiotechnologie. Hij is onderzoeks leider in het Vlaams Instituut voor
Biotechnologie (VIB). Hij leidt tesamen met Frederic Rousseau de onderzoeksgroep SWITCH, die als SWIT
ook deel uitmaakt van ons departement.
"Het VIB streeft ernaar in Vlaanderen een excellentiecentrum
te vormen voor onderzoek in levenswetenschappen. In 2003 werd een internationale
oproep gelanceerd om jong wetenschappelijk talent naar Vlaanderen te brengen. Drie nieuwe
groepslediers werden gezocht die de kans zouden krijgen om een laboratorium op te zetten en gedurende vijf
jaar hun onderzoek te ontplooien.
Op dat moment was ik als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan het Europees Moleculair Biologie
Laboratorium (EMBL) in Heidelberg. De oproep was de eerste van zijn soort in Vlaanderen en gaf een verrassende wending
aan mijn carrière: voor het eerst was er een reële kans om mijn onderzoek in
Vlaanderen voort te zetten en dus naar huis te keren na een verblijf van meerdere jaren in het buitenland.
Met mijn collega bio-ingenieur Frederic Rousseau heb ik dan ook aan de oproep gevolg gegeven met
een gezamenlijk interdisciplinair projectvoorstel dat technieken uuit de bio-informatica, de biofysica en de
moleculaire en cellulaire biologie combineert om tot nieuwe biologische inzichten te komen.
Sinds september 2003 is het Switch laboratorium actief aan de Vrije Universiteit Brussel als één van
de nieuwe groepen van het VIB. Het team is ondertussen uitgegroeid tot meer dan tien onderzoekers
en onze opstartperiode lijkt achter de rug, het lab begint op volle toeren te draaien. De focus van ons onderzoek is
eiwitaggregatie, een fenomeen dat recent sterk in de pers kwam door de
toenemende aandacht voor ziektes zoals Alzheimer, Parkinson en katarakt die door de vergrijzing van de
bevolking steeds toenemen. De ontdekking van de priongebaseerde ziektes zoals Creutzfeld-Jacob en scrapie en
de daaraan verbonden wijdverspreide bezorgdheid om de veiligheid van onze voedselketen heeft hieraan
natuurlijk ook sterk bijgedragen.
Het Switch lab is een zeer stimulerende werkomgeving. De groep is internationaal samengesteld met
mensen met verschillende achtergronden, zowel cultureel als professioneel. Het interdisciplinair
karakter van ons onderzoek houdt in dat er zowel informatici en fysici als biologen met elkaar moeten
praten en samenwerken. Daarnaast is het toepassen van de onderzoeksresultaten met het oog op
valorisatie een belangrijke doelstelling van het VIB, wat wil zeggen dat patentering en het vertalen van
basisonderzoek naar een industriële omgeving een belangrijk deel van onze taak inhoudt. Wanneer er
belangrijke wetenschappelijke resultaten worden geboekt, is het VIB er heel snel bij om dit aan de pers
mee te delen, zodat een stuk interactie met de media deel uitmaakt van deze zeer gevariëerde job.
Mijn basisopleiding als bio-ingenieur laat toe om zowel dieper in te gaan op meer theoretische aspecten
van het werk, maar biedt tevens voldoende bagage om een oog voor toepassingen te ontwikkelen. Bij
Switch werken er zowel bio-ingenieurs in het wetlab als achter de computer. Onze rol in dit divers team
is vooral het bij mekaar brengen van de verschillende disciplines en het integreren van de resultaten en
de kennis van de verscheidene achtergronden."
ir.
Philippe Stas studeerde af als biotechnoloog in 1991.
Na vier jaar onderzoek naar vaccinatiestrategieën in het
labo van Dr. P. De Baetselier, en twee jaar bij Dr. Wyns als bioinformaticus,
vertrok Philippe naar de industrie. Hij werd IT-Manager van een
spin-off van Applera, een Amerikaanse multinational die vooral
gekend werd met het ontrafelen van het menselijke genoom (Celera,
Perkin Elmer). In 1999 maakte hij samen met drie collega's de
overstap naar een eigen bedrijf. AlgoNomics NV ging van start
als een bioinformatica bedrijf met een sterke focus op eiwit structuur
en modelisering. Gaandeweg groeide het bedrijf uit tot een volwaardige
biotech onderneming dat vaccins wil ontwikkelen tegen infectueuze
ziekte en kanker. Als Chief Operating Officer van AlgoNomics (Operationeel
Directeur) , werkt Philippe aan de verdere uitbouw van het bedrijf
en verzekert AlgoNomics van een grote naambekendheid in de vaccin-industrie.
Naast AlgoNomics, is Philippe actief betrokken in professionele
organisaties, en zetelt in de Raden van Bestuur van de Belgian
Biotech Association (BBA vzw) en de Biotechnologie stichting (FBBS
vzw).
Dr.
ir. Els Torreele studeerde af als biotechnoloog in
1990, waarna ze een doctoraat aanvatte bij de dienst Cellulaire
Immunologie aan de Vrije Universiteit Brussel (Prof. De Baetselier). Na zes jaar onderzoek
in het labo, verlegde Els haar aandacht naar onderzoekscoördinatie
-en beleid als R&D coördinator van het VIB-departement
Immunologie, Parasitologie en Ultrastructuur aan de Vrije Universiteit Brussel. Hierdoor
geraakte ze verder geïnteresseerd in de ethische en maatschappelijke
aspecten van biotechnologie, en wetenschappelijk onderzoek in
het algemeen, met bijzonder aandacht voor het spanningsveld tussen
wetenschap en business en de implicaties voor de 3de wereld. Sinds
begin 2002 werkt Els voor Artsen
Zonder Grenzen, in het kader van hun wereldwijde campagne
voor betere toegang tot essentiële geneesmiddelen. Halftijds
in Brussels en Parijs, werkt ze rond het stimuleren van onderzoek
en ontwikkeling van nieuwe en aangepaste geneesmiddelen voor de
belangrijkste ziekten van de 3de wereld.
ir.
Pieter Vandersteen studeerde in 1995 af als Bio-ingenieur
in de Cel- en Genbiotechnologie. Na één jaar research
bij Procter & Gamble trad hij in dienst bij office Van Malderen,
waar hij werkzaam is als octrooi-ingenieur en verantwoordelijk
is voor het opstellen, het indienen en het verdedigen van octrooiaanvragen
in Belgische, Europese en Internationale octrooiprocedures. Sinds
2001 is hij erkend Belgisch en Europees octrooigemachtigde na
het succesvol afleggen van beide examens.
Terug naar boven
Brochures
De Bio-ingenieur op de werkvloer (editie 2006).
De Bio-ingenieur an het werk (editie 2008).
De jonge Bio-ingenieur op de arbeidsmarkt.